De berichtgeving van het NOS journaal over de demonstratie tegen kernenergie op de Dam gistermiddag leek opgenomen om een uur of drie, half vier, toen het hoogtepunt al voorbij was. Het gaf een laf beeld, in tegenstelling tot wat ik aantrof, toen ik me om half twee bij de mensenmassa voegde. Bij de kraam van GroenLinks, die nauwelijks te bereiken viel, was geen ballonnetje of button meer te krijgen.

Het was mijn eerste demonstratie sinds  "van Kemenade, genade!", toen ik nog op de Grafische School zat. In de 35 jaar daarna heb ik me vaak afgevraagd, waarom geen mens meer de straat op ging. Dat zou gelegen hebben aan de babyboom generatie, die het te goed had en Gods water over Gods akker liet vloeien. Maar sinds dit kabinet is aangetreden, is demonstreren weer opgepakt als middel om een mening te uiten. Een geluk bij een ongeluk, zou je het kunnen noemen.

Wat me direct opviel was de vriendelijkheid van al die mensen. Iedereen lachte tegen elkaar. Vreemden spraken elkaar aan, verexcuseerden zich zelfs als ze elkaar aanstootten, terwijl dat toch onontkoombaar was in de drukte. Het hoogtepunt van de middag, een interview met Job Cohen, Jolande Sap, Marianne Thieme en Emile Roemer, duurde niet lang en leverde natuurlijk geen nieuwe informatie op. Maar daar ging het ook niet om. We waren even samen om elkaar te steunen in de strijd tegen een vorm van energie die we niet kunnen beheersen en waarvan de gevolgen desastreus zijn. En we spraken af, dat er meer demonstraties zullen volgen als Prins Kernafval (zoals Verhagen werd genoemd) zijn mening over kernenergie niet wijzigd.